Voor klinisch onderzoek zijn andere vragen nodig

Het Clinical Proof-of-Concept (CPOC)-programma helpt wetenschappers veelbelovende ontdekkingen op het gebied van kankeronderzoek eerder te testen bij patiënten, en met een duidelijker beeld van de medische noodzaak. Prof. dr. Henk Verheul, voorzitter van de Clinical Advisory Board van Oncode Institute, vertelt over de rol van het CPOC-programma.

2026. 08. 17.

Wat gebeurt er als een veelbelovende ontdekking eindelijk het lab verlaat? Dat is de vraag achter Oncode Institute’s Clinical Proof-of-Concept (CPOC)-programma. Dit programma helpt onderzoekers de stap naar patiënten eerder te maken. Dat doet het door ondersteuning te bieden bij vroeg klinisch wetenschappelijk onderzoek.

Die stap kan lastig zijn voor onderzoekers. Een ontdekking kan goed werken in het lab, of in diermodellen, maar klinisch onderzoek heeft andere criteria. Kan het principe veilig worden getest bij patiënten? Welke patiëntengroep komt in aanmerking voor de mogelijke behandeling? Is het onderzoek realistisch in de praktijk?

Prof. dr. Henk Verheul krijgt dagelijks met deze vragen te maken. Als medisch oncoloog en voorzitter van het Erasmus MC Kankerinstituut werkt hij nauw samen met patiënten en onderzoekers. Hij is ook voorzitter van de Clinical Advisory Board (klinische adviesraad) van Oncode Institute, die advies uitbrengt op het gebied van klinische strategieën, onderzoeksontwerp en de route van onderzoeksidee naar patiëntgebonden onderzoek.

“Je kan van de kliniek naar het lab toe werken, of andersom”, zegt Verheul. “Die verbinding beïnvloedt mijn dagelijks werk.” Een van zijn grootste uitdagingen op het gebied van kankeronderzoek is vroeger te weten te komen welke ideeën daadwerkelijk klinisch vooruitzicht hebben, en hoe deze ideeën op een verantwoordelijke manier bij de patiënt terecht kunnen komen. Daar is een rol weggelegd voor CPOC.

Wat verandert er wanneer onderzoek de kliniek betreedt?

CPOC ondersteunt vroeg klinisch onderzoek. Simpel gezegd: het helpt onderzoekers om te bepalen of een ontdekking uit het laboratorium ook vooruitzichten heeft bij patiënten. Het programma biedt financiering, expertise op het gebied van klinische en valorisatie-vraagstukken, en begeleiding bij het ontwerpen van een klinisch onderzoek. CPOC helpt onderzoekers te definiëren wat de klinische vraagstellingen zijn, wat de goede patiëntgroepen zijn, en wat de praktische vraagstukken zijn om een wetenschappelijk onderzoek te starten.

Die werkwijze kan veranderen hoe onderzoekers naar hun eigen werk kijken, zegt Verheul. “Veel van hen denken dat er jaren aanvullend preklinisch werk nodig is voordat een vinding kan worden getest bij patiënten”, zegt hij. “Maar soms kun je sneller starten in de kliniek dan je verwacht.” Dat neemt niet het belang weg van een zorgvuldige voorbereiding, maar betekent dat je vroeger bepaalt of het idee klinisch relevant, realiseerbaar, en klaar is voor een eerste test bij patiënten.

“De echte uitdaging is implementatie”, zegt Verheul. “Je hebt een klinisch protocol nodig, clinici die willen meewerken, en patiënten die aan het onderzoek kunnen meedoen.” Voor veel onderzoekers in de fundamentele wetenschap is dat onontgonnen terrein. CPOC helpt om de eerste klinische stappen toegankelijker te maken.

“Het CPOC-programma is cruciaal bij het verbinden van fundamenteel onderzoek met klinische innovatie.”

Onderzoeken ontwerpen die werken in de praktijk

De Clinical Advisory Board (klinische adviesraad, CAB) zorgt voor klinische ervaring bij dat proces. De CAB-leden bepalen of een onderzoek de gestelde vraag kan beantwoorden. Ze kijken naar haalbaarheid, patiëntenaantallen, klinische relevantie en het voorgestelde studieontwerp. Verheul: “We kijken heel nauwkeurig of de opzet duidelijk is, en of het primaire doel van de studie überhaupt kan worden beantwoord.”

Dat advies kan ook zorgen voor nieuwe relaties. Als een onderzoek meer patiënten nodig heeft dan voorhanden zijn in één centrum, kan de CAB samenwerking bespoedigen tussen umc’s, het Nederlands Kankerinstituut en andere klinische partners. Die verbinding tussen onderzoekers en clinici is voor Verheul een van de sterkste punten van de aanpak die Oncode Institute hanteert. Onderzoekers denken daardoor vroeger na over medische noodzaak, en wat er nodig is voor klinische ontwikkeling.

CPOC helpt onderzoekers aan vroeger klinisch inzicht. Soms leidt dat tot een veelbelovend gevolg. In andere gevallen helpt het onderzoekers om hun aanpak te veranderen, voordat ze jaren investeren in de ontwikkeling van een vinding.

Een voorbeeld is de RASTRIC-trial, een onderzoek naar een behandelingscombinatie. Deze studie genereerde belangrijke klinische inzichten, en hielp onderzoekers om beter te begrijpen wat de beperkingen zijn van deze behandelcombinatie in de praktijk. “We weten nu dat het niet makkelijk is om toxiciteit tegen te gaan, dus moeten we onze strategie aanpassen”, zegt Verheul. “Zo begrijpen we beter wat er nodig is voor de volgende stap.”

Een ander onderzoek dat CPOC heeft ondersteund, is van de hand van Oncode Investigator Jacco van Rheenen. Zijn onderzoek richt zich op de invloed van de menstruatiecyclus op de chemotherapierespons. Als deze vinding is bevestigd bij patiënten, kan deze helpen bij de timing van een behandeling voor borstkanker en andere kankersoorten. Verheul: “Je kan dit effect bestuderen bij muizen en in een preklinische setting, maar het moeilijke is om het te bewijzen bij patiënten.”

Wat verandert met de betrokkenheid van patiënten?

Verheul vindt dat patiënten eerder moeten worden betrokken bij het proces. In zijn optiek krijgen onderzoekers een ander perspectief, wanneer ze direct contact hebben met de mensen die van hun werk profiteren.

Patiënten zijn steeds vaker geïnteresseerd in wat er in het lab gebeurt, willen onderzoekers ontmoeten en willen begrijpen hoe ontdekkingen hun weg naar de kliniek vinden. “Patiënten zijn vaak enthousiast”, zegt Verheul. “Onderzoekers kunnen veel van hen leren. Dit contact helpt in de bewustwording voor medische noodzaken.”

Verheul hoopt dat clinici meer tijd doorbrengen in onderzoekslaboratoria. Als zij zien hoe lastig het soms is om nieuwe ideeën te ontwikkelen en testen, kan dat zorgen voor nauwere samenwerkingen tussen onderzoekers en artsen. “Als arts stond ik in het lab met mijn voeten in de klei”, zegt hij lachend. “Die ervaring blijft je bij.”

Waarom kost klinische vooruitgang tijd?

Klinische ontwikkelingen zijn tijdrovend, dus belooft Verheul geen snelle resultaten. De ontwikkeling van een geneesmiddel kan 15 tot 20 jaar in beslag nemen. Bij diagnostische middelen of monitoringsmateriaal kan dat proces sneller gaan. Toch blijven grondige tests nodig.

Dat betekent ook dat verwachtingsmanagement nodig is, zegt Verheul. “Als je tien jaar in de toekomst zou kunnen kijken, denk ik dat ontdekkingen van Oncode Institute de klinische uitkomsten van patiënten hebben verbeterd. Maar om dat te bepalen is er meer tijd nodig.”

De kracht van CPOC ligt voor Verheul in de hulp die onderzoekers krijgen om eerder de stap naar de kliniek te maken, sneller te leren, en dichter bij de medische noodzaak te blijven. Programma’s zoals CPOC zijn essentieel, zegt hij, omdat ze onderzoekers en clinici laten samenwerken vanaf het begin.

CPOC in 2025

  • 22 projecten in het programma
  • 3 nieuwe onderzoeken toegekend
  • 8 betrokken instituten
  • 15 Oncode Investigators werken mee aan projecten
  • 46 clinici waren betrokken bij onderzoeken

Onderzoeken belicht in 2025

  • Nieuwe onderzoeken toegekend: Zwart, Litjens en De Laat
  • Onderzoek van Jacco van Rheenen naar de menstruatiecyclus en chemotherapierespons opgestart
  • RASTRIC-trial, geleid door Hugo Snippert en Hans Bos, afgerond en doorgezet bij Oncode Accelerator

Dit artikel verscheen ook in het jaarverslag 2025.